Informatie over het woord betichten (Nederlands → Esperanto: kulpigi)

Uitspraak/bəˈtɪxtə(n)/
Afbrekingbe·tich·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) beticht(ik) betichtte
(jij) beticht(jij) betichtte
(hij) beticht(hij) betichtte
(wij) betichten(wij) betichtten
(gij) beticht(gij) betichttet
(zij) betichten(zij) betichtten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) betichte(dat ik) betichtte
(dat jij) betichte(dat jij) betichtte
(dat hij) betichte(dat hij) betichtte
(dat wij) betichten(dat wij) betichtten
(dat gij) betichtet(dat gij) betichttet
(dat zij) betichten(dat zij) betichtten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
betichtbeticht
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
betichtend, betichtende(hebben) beticht

Vertalingen

Albaneesfajësoj
Duitsanklagen; beschuldigen; verklagen; bezichtigen; die Schuld geben
Engelsaccuse; blame; charge; fault; incriminate
Esperantokulpigi
Finssyyttää
Papiamentskulpa
Portugeesacusar; culpar
Saterfriesankloagje; bescheeldigje; beskeeldigje; ferkloagje
Spaansachacar; acusar; imputar
Westerlauwers Friesbeskuldigje