Informatie over het woord aangapen (Nederlands → Esperanto: gapi)

Uitspraak/ˈaŋɣapə(n)/
Afbrekingaan·ga·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) gaap aan(ik) gaapte aan
(jij) gaapt aan(jij) gaapte aan
(hij) gaapt aan(hij) gaapte aan
(wij) gapen aan(wij) gaapten aan
(gij) gaapt aan(gij) gaaptet aan
(zij) gapen aan(zij) gaapten aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aangape(dat ik) aangaapte
(dat jij) aangape(dat jij) aangaapte
(dat hij) aangape(dat hij) aangaapte
(dat wij) aangapen(dat wij) aangaapten
(dat gij) aangapet(dat gij) aangaaptet
(dat zij) aangapen(dat zij) aangaapten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
gaap aangaapt aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aangapend, aangapende(hebben) aangegaapt

Vertalingen

Catalaansbadar
Duitsgaffen
Engelsgape; gawk; rubberneck; stand gaping
Esperantogapi
Faeröersgána; gapa; glana
Finstöllistellä
Fransbadauder; bayer aux corneilles; béer
Portugeesembasbacar‐se; ficar boquiaberto
Russischглазеть
Saterfriesglapje; glappe
Spaansestar boquiabierto; estar embobado
Thaisหาว
Turksesnemek
Westerlauwers Friesgapje
Zweedsgapa; gäspa