Informatie over het woord roken (Nederlands → Esperanto: fumi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈrokə(n)/
Afbrekingro·ken

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) rook(ik) rookte
(jij) rookt(jij) rookte
(hij) rookt(hij) rookte
(wij) roken(wij) rookten
(gij) rookt(gij) rooktet
(zij) roken(zij) rookten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) roke(dat ik) rookte
(dat jij) roke(dat jij) rookte
(dat hij) roke(dat hij) rookte
(dat wij) roken(dat wij) rookten
(dat gij) roket(dat gij) rooktet
(dat zij) roken(dat zij) rookten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
rookrookt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
rokend, rokende(hebben) gerookt

Voorbeelden van gebruik

Wij willen de vredespijp met hem roken.
Ik zal de mannen rokende vuren laten aanleggen om de insecten te verdrijven en dan komen we morgen wel na met de rest.
Zij rookt 50 à 60 Turkse sigaretten per dag en ’s avonds bovendien vele zware sigaren.
Stelt u zich onze verbazing voor toen hij halverwege Frankrijk kalm een sigaret rokend, de cabine in wandelde!
Nadat ik een sigaret gerookt had, besloot ik de inhoud van mijn enveloppe te onderzoeken.
Zij rookten een tijdje in stilte en de zon scheen op hen neer.

Vertalingen

Afrikaansrook
Deensryge
Duitsrauchen; Rauch entwickeln
Engelssmoke
Esperantofumi
Faeröersroykja
Finssavuta
Fransfumer
Italiaansfumare
Papiamentshuma
Poolsdymić; palić
Portugeesfumar
Roemeensfuma
Saterfriesrookje; smookje
Spaansfumar; humear
Sranansmoko
Thaisปล่อยควัน; สูบ
Tsjechischčadit; čoudit; dýmat; kouřit
Turksiçmek
Westerlauwers Friesrikje; smoke
Zweedsryka; röka