Informatie over het woord flikken (Nederlands → Esperanto: fliki)

Uitspraak/ˈflɪkə(n)/
Afbrekingflik·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) flik(ik) flikte
(jij) flikt(jij) flikte
(hij) flikt(hij) flikte
(wij) flikken(wij) flikten
(gij) flikt(gij) fliktet
(zij) flikken(zij) flikten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) flikke(dat ik) flikte
(dat jij) flikke(dat jij) flikte
(dat hij) flikke(dat hij) flikte
(dat wij) flikken(dat wij) flikten
(dat gij) flikket(dat gij) fliktet
(dat zij) flikken(dat zij) flikten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
flikflikt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
flikkend, flikkende(hebben) geflikt

Vertalingen

Catalaansadobar; aparracar; apedaçar; reparar
Deensreparere
Duitsausbessern; flicken
Engelspatch
Esperantofliki
Faeröersbjarva; bøta; pjøssa
Fransrapiécer
Portugeesconsertar; remendar
Saterfriesflikje; lapje; stukje; uutbeeterje
Spaansremendar
Thaisปะ
Tsjechischopravovat; spravovat; vyspravit; záplatovat
Zweedsflicka