Informatie over het woord smoke (Engels → Esperanto: fumi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/sməʊ̯k/
Afbrekingsmoke
Shaw‐alfabet𐑕𐑥𐑴𐑒
Deseret‐alfabet𐑅𐑋𐐬𐐿

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) smoke(I) smoked
(thou) smokest(thou) smokedst
(he) smokes, smoketh(he) smoked
(we) smoke(we) smoked
(you) smoke(you) smoked
(they) smoke(they) smoked
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) smoke (I) smoked
(thou) smoke(thou) smoked
(he) smoke(he) smoked
(we) smoke(we) smoked
(you) smoke(you) smoked
(they) smoke(they) smoked
Gebiedende wijs
smoke
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
smokingsmoked

Voorbeelden van gebruik

You could live in a house with radon, never smoke, and still get lung cancer.

Vertalingen

Afrikaansrook
Deensryge
Duitsrauchen
Esperantofumi
Faeröersroykja
Finssavuta
Fransfumer
Italiaansfumare
Nederlandsroken
Papiamentshuma
Poolsdymić; palić
Portugeesfumar
Roemeensfuma
Saterfriesrookje; smookje
Spaansfumar; humear
Sranansmoko
Thaisปล่อยควัน; สูบ
Tsjechischdýmat; kouřit
Turksiçmek
Westerlauwers Friessmoke
Zweedsröka