Informatie over het woord Leben (Duits → Esperanto: vivo)

Uitspraak/ˈleːbən/
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtonzijdig

Verbuiging

 EnkelvoudMeervoud
NominatiefLebenLeben
GenitiefLebensLeben
DatiefLebenLeben
AccusatiefLebenLeben

Voorbeelden van gebruik

Sie haben mir das Leben gerettet, nicht wahr?
482 Besatzungsmitglieder verloren dabei ihr Leben.

Vertalingen

Afrikaanslewe
Albaneesjetë
Catalaansvida
Deensliv
Engelslife
Engels (Oudengels)lif
Esperantovivo
Faeröerslív
Fransvie
Grieksζωή
Hongaarsélet
IJslandslíf; æfi
Italiaansvita
Jiddischלעבן
Latijnvita
LuxemburgsLiewen
Nederlandshachje; leven
Noorsliv
Papiamentsbida
Poolsżycie
Portugeesvida; viver
Roemeensviață
Russischжизнь
SaterfriesLieuwend
Spaansvida
Swahilimaisha
Thaisชีวิต
Tsjechischživot
Turksçoğulu
Westerlauwers Friesleven; libben
Zweedslevnad; liv