Informatie over het woord fahren (Duits → Esperanto: veturi)

Uitspraak/ˈfaːrən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) fahre(ich) fuhr
(du) fährst(du) fuhrst
(er) fährt(er) fuhr
(wir) fahren(wir) fuhren
(ihr) fahrt(ihr) fuhrt
(sie) fahren(sie) fuhren
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) fahre(ich) führe
(du) fahrest(du) führest
(er) fahre(er) führe
(wir) fahren(wir) führen
(ihr) fahret(ihr) führet
(sie) fahren(sie) führen
Gebiedende wijs
(du) fahre
(ihr) fahrt
fahren Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
fahrend(haben/sein) gefahren

Voorbeelden van gebruik

Nachdem ich alles gelesen hatte, fuhr ich zur Polizei, um mir dort den Bericht über die Leichenschau zeigen zu lassen.

Vertalingen

Afrikaansry; vaar
Catalaansanar; circular; viatjar
Deensfare; køre
Engelsdrive; go; ride
Esperantoveturi
Finsajaa
Fransaller; aller en véhicule; se déplacer
Hongaarsutazik
Italiaanscamminare
Jiddischפֿאָרן
Latijnvehere
Nederlandsgaan; karren; rijden; varen
Noorskjøre
Poolsjechać
Portugeesandar; ir; rodar; viajar
Saterfriesfiere; gunge
Spaansir; ir en vehículo
Turksgitmek
Westerlauwers Friesfarre; gean
Zweedsfara; åka