Informatie over het woord uitpakken (Nederlands → Esperanto: rezulti)

Uitspraak/ˈœʏ̯tpɑkə(n)/
Afbrekinguit·pak·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) pak uit(ik) pakte uit
(jij) pakt uit(jij) pakte uit
(hij) pakt uit(hij) pakte uit
(wij) pakken uit(wij) pakten uit
(gij) pakt uit(gij) paktet uit
(zij) pakken uit(zij) pakten uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitpakke(dat ik) uitpakte
(dat jij) uitpakke(dat jij) uitpakte
(dat hij) uitpakke(dat hij) uitpakte
(dat wij) uitpakken(dat wij) uitpakten
(dat gij) uitpakket(dat gij) uitpaktet
(dat zij) uitpakken(dat zij) uitpakten
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitpakkend, uitpakkende(zijn) uitgepakt

Vertalingen

Catalaansresultar
Duitsresultieren
Engelspan out
Esperantorezulti
Fransaboutir; résulter
Portugeesredundar; resultar
Saterfriesresultierje
Spaansresultar; seguirse