Informatie over het woord gluipen (Nederlands → Esperanto: ŝteliri)

Uitspraak/ˈɣlœʏ̯pə(n)/
Afbrekingglui·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) gluip(ik) gluipte
(jij) gluipt(jij) gluipte
(hij) gluipt(hij) gluipte
(wij) gluipen(wij) gluipten
(gij) gluipt(gij) gluiptet
(zij) gluipen(zij) gluipten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) gluipe(dat ik) gluipte
(dat jij) gluipe(dat jij) gluipte
(dat hij) gluipe(dat hij) gluipte
(dat wij) gluipen(dat wij) gluipten
(dat gij) gluipet(dat gij) gluiptet
(dat zij) gluipen(dat zij) gluipten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
gluipgluipt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
gluipend, gluipende(hebben) gegluipt

Vertalingen

Afrikaanssluip
Engelsskulk
Esperantoŝteliri; kaŝiri; ŝtelumi
Faeröerssníkja seg avstað
Westerlauwers Friesglûpe