Informatie over het woord aanpakken (Nederlands → Esperanto: ataki)

Uitspraak/ˈampɑkə(n)/
Afbrekingaan·pak·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) pak aan(ik) pakte aan
(jij) pakt aan(jij) pakte aan
(hij) pakt aan(hij) pakte aan
(wij) pakken aan(wij) pakten aan
(gij) pakt aan(gij) paktet aan
(zij) pakken aan(zij) pakten aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aanpakke(dat ik) aanpakte
(dat jij) aanpakke(dat jij) aanpakte
(dat hij) aanpakke(dat hij) aanpakte
(dat wij) aanpakken(dat wij) aanpakten
(dat gij) aanpakket(dat gij) aanpaktet
(dat zij) aanpakken(dat zij) aanpakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
pak aanpakt aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aanpakkend, aanpakkende(hebben) aangepakt

Vertalingen

Afrikaansaanval; takel; aangryp
Catalaansatacar
Deensangribe
Duitsanfallen; anfechten; angreifen; attackieren; ausfallen; befallen; den Kampf beginnen; in Angriff nehmen; losgehen auf; sich hermachen über; sich machen an; überfallen; zerstören
Engelsattack; tackle
Esperantoataki
Faeröersleypa á
Finshyökätä
Fransassaillir; attaquer
Hongaarstámad
Italiaansattaccare
Latijnappugnare; oppugnare
Papiamentsataká
Portugeesabordar; acometer; agredir; assaltar; atacar
Russischатаковать; нападать
Saterfriesanfaale; angriepe; befaale; uurfaale; uutfaale
Spaansagredir; atacar
Thaisโจมตี
Turkssaldırmak
Westerlauwers Friesoanfalle
Zweedsanfalla