Informatie over het woord mastboom (Nederlands → Esperanto: pino)

Uitspraak/ˈmɑzbom/, /ˈmɑstbom/
Afbrekingmast·boom
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtmanlijk
Meervoudmastbomen

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
mastboompjemastboompjes

Voorbeelden van gebruik

In de periode tussen 1685 en 1750 werden de omliggende gronden met mastbomen beplant.

Vertalingen

Afrikaansden; masboom; pyn
Catalaanspi
Deensfyr; fyrretræ
DuitsFöhre; Kiefer
Engelspine; pine‐tree
Esperantopino
Faeröersfura
Finsmänty
Franspin
Grieksπεύκο; πεύκη
Hongaarsfenyőfa; fenyő
IJslandsfura
Italiaanspino
Latijnpicea; pinus; taeda
LuxemburgsKifer
Noorsfuru
Poolssosna
Portugeespinheiro
Roemeenspin
Russischсосна
SaterfriesFjuurenboom
Spaanspino
Thaisต้นสน
Tsjechischborovice; sosna
Turksçam
Welspinwydden
Westerlauwers Friesdin; dinnebeam
Zweedsfur; pinie; tall