Informatie over het woord fari

Woordsoortwerkwoord
Afbrekingfar·i

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdfaras
Verleden tijdfaris
Toekomende tijdfaros
 
Voorwaardelijke wijs
farus
 
Gebiedende wijs
faru

 Deelwoorden
 Actieve deelwoordenPassieve deelwoorden
Tegenwoordige tijdfarantafarata
Verleden tijdfarintafarita
Toekomende tijdfarontafarota

Voorbeelden van gebruik

Kion mi faru por helpi vin?
Kiam ŝi provis ilin sur siaj piedoj, ili taŭgis kvazaŭ specife faritaj por ŝi.

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Catalaansfer
Deensaflægge; gøre; lave
Duitsabhalten; abstatten; anfertigen; anrichten; ausführen; begehen; bereiten; bewirken; brauen; erledigen; ernennen; erregen; erschaffen; erzeugen; geben; halten; herstellen; hervorbringen; hervorrufen; machen; ordnen; schließen; schneiden; stellen; tun; unterbreiten; veranlassen; verrichten; verursachen; zubereiten; zurechtmachen
Engelsact; carry out; commit; do; form; make; perform; reach; render; wage; work
Engels (Oudengels)macian; don
Faeröersgera
Finstehdä
Fransconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Hawaiaanshana
Hongaarsesinál; tesz
IJslandsgera
Italiaanscommettere; fare
Jiddischמאַכן
Latijnfacere
Luxemburgsmaachen; doen
Maleisbuat; membuat
Nederlandsaanmaken; bedrijven; begaan; afleggen; doen; maken; plegen; stellen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren; verrichten; vervaardigen
Noorsgjøre
Papiamentshasi
Poolsczynić; robić
Portugeescometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeensface
Russischделать; сделать
Saterfriesdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Schots-Gaelischdèan
Spaanshacer
Sranandu; meki
Swahili‐fanya
Thaisต่อ; ทำ
Tsjechischčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksetmek; yapmak
Westerlauwers Friesdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Zweedsgöra