Informatie over het woord søndag (Deens → Esperanto: dimanĉo)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtgemeenschappelijk

Verbuiging

 EnkelvoudMeervoud
 OnbepaaldBepaaldOnbepaaldBepaald
Nominatiefsøndagsøndagensøndagesøndagene
Genitiefsøndagssøndagenssøndagessøndagenes

Vertalingen

AfrikaansSondag
Albaneesdiel
Catalaansdiumenge
DuitsSonntag
EngelsSunday
Engels (Oudengels)Sunnandæg
Esperantodimanĉo
Faeröerssunnudagur
Finssunnuntai
Fransdimanche
GrieksΚυριακή
Hongaarsvasárnap
IJslandssunnudagur
Italiaansdomenica
Jamaicaans CreoolsSonde
LuxemburgsSonndeg
MaleisAhad; Minggu
Nederduitssündag; sundag
Nederlandszondag
Noorssøndag
Papiamentsdjadumingu
Poolsniedziela
Portugeesdomingo
Roemeensduminică
SaterfriesSundai
Spaansdomingo
Sranansonde
SwahiliJumapili
Thaisวันอาทิตย์
Tsjechischneděle
Turkspazar
Welsdydd Sul
Westerlauwers Friessnein
Zweedssöndag