Nederlands–Zweeds woordenboek

Zweedse vertaling van het Nederlandse woord winter

Nederlands → Zweeds
  
NederlandsZweeds (indirect vertaald)Esperanto
vinter
🔗 Het was winter geworden.
winter‐
vinterlig
(gaultherie)
vaktelbär
(december)
december
(kleine winterpostelein; witte winterpostelein)
vinterportlak
(winterachtig)
vinterlig
🔗 Ook België ondervindt veel overlast van het winterse weer.
kricka
(heggemus; haagmus; hegmus)
järnsparv