| Nederlands | Esperanto |
|---|
| (aanhouden; keren; stilleggen; stilzetten; stoppen; tegenhouden; staande houden; tot staan brengen) | |
🔗 Maar het kadaver was niet te stuiten.
|
| (opspringen) | resalti |
🔗 De kogels stuitten tegen de grond, daar waar hij nauwelijks een seconde eerder nog gelegen had.
|
| (afkeer inboezemen; tegenstaan) | |
🔗 Toch stuit het me tegen de borst om het hem te vragen.
|
| (terugspringen) | resalti |
🔗 Driemaal schoot Locksley op De Bracy en driemaal stuitte zijn pijl af op diens wapenrusting.
|
| |
| (walgelijk; weerzinwekkend; walglijk) | |
🔗 De omgeving wordt steeds stuitender.
|
| ŝoka |
🔗 Ver van deze stuitende gebeurtenissen stapte heer Bommel met lichte tred zijn huis weer binnen.
|