| Nederlands | Esperanto |
|---|
| (bel) | |
🔗 Vlak daarop begon er in de kelder een schel te rinkelen en boven in de villa en in de tuin hoorde hij nog meer schellen overgaan.
|
| (schril; snijdend) | strida () |
🔗 Zijn stem had een schelle klank gekregen.
|
| (bel; rinkelbel) | |
🔗 Een samenklank van cimbalen en schellen leek de naderende ridders zowel uit te dagen als te verwelkomen.
|
| (scherp; schril; vinnig) | |
🔗 Plotseling klonk schel het belletje van de telefoon.
|
| (doordringend; schril; scherp) | |
🔗 De schelle stem was van een buitenlander.
|
| (alarmbel) | |
🔗 De volgende middag ontwaakte ze uit een dutje door het geluid van een alarmschel.
|
| |
schelkoord | |
| (bellen; aanbellen; luiden) | () |
🔗 En u hoeft niet zo langdurig te schellen.
|