| Nederlands | Esperanto |
|---|
| (klemmen; nijpen) | |
| |
🔗 Met andere woorden, hij begon ’m te knijpen.
|
| fermpinĉi |
🔗 Knijp je neus dicht en leeg dit glas snel.
|
| |
| (foefje; kunstgreep; streek; toer; truc; handigheidje) | |
| (foefje; handigheid; handigheidje; kunstje; kunst) | |
| |
🔗 Hij gaf een paar flinke knepen rond de wond om te zien of er soms vuil uit kwam.
|
| (pince‐nez; lorgnet) | |
🔗 Hij schoof zijn knijpbril omhoog en staarde bijziende naar de linkerklok.
|
| (klem) | |
| |
| (nijptang) | (; ) |
| (samendrukken; samennijpen) | kunpremi |
| (dichtknijpen) | fermpinĉi |
🔗 Hij kneep zijn ogen half toe en voelde het zweet van zijn voorhoofd druppelen.
|
| (persen; uitdrukken; uitpersen) | elpremi |
🔗 Breng water aan de kook en knijp er de halve citroen boven uit.
|
| () |
🔗 Hij woont in huis bij zijn broer, die een oogje op hem moet houden en alles aan de zielknijper rapporteert.
|