| Nederlands | Esperanto |
|---|
| (vervaardiging; maken; doen) | |
🔗 Met holle ogen staarde hij naar de doening van de geleerde, die hem geheel vergeten scheen te zijn.
|
| (laten; maken) | |
🔗 Een nieuw geluid deed hem opschrikken.
|
| (handelen; optreden; te werk gaan; handelen) | |
| (steken; plaatsen; stoppen; zetten) | |
🔗 Die gaf zijn gevangenen nog goed te eten, al deed hij wat veel knoflook in de soep.
|
| (indienen; voorstellen; brengen) | |
🔗 Nu zal ik jullie een voorstel doen.
|
| |
| |
🔗 Marino moet zijn plicht doen en de waarheid vertellen.
|
| (sluiten; afsluiten; aandoen; toebrengen; stellen) | |
🔗 Wil jij mij de eer doen om met me te trouwen?
|
| |
🔗 Hij deed alsof hij steeds dover werd en binnen de kortste keren hadden ze geen gesprekken meer.
|
| |
🔗 We moeten niet praten, maar doen.
|
| (maken; uitvoeren; begaan; uitrichten; verrichten; uithalen) | |
|
| (maken) | |
| |
🔗 Ze ging zitten voor een enorme toilettafel en begon haar haar te doen.
|