Nederlands–Duits woordenboek

Duitse vertaling van het Nederlandse woord span

Nederlands → Duits
  
NederlandsDuits (indirect vertaald)Esperanto
Gespann
🔗 Er was iets onnatuurlijks aan het span zwarte paarden dat de wagen trok.
span
(duo; paar; stel; tweetal)
Dreigespann
;
Troika
(inspannen)
spannen
;
anspannen
;
vorspannen
;
einspannen
;
anschirren
(uitrekken)
aufziehen
;
spannen
;
anspannen
;
ausspannen
;
straffen
;
anziehen
🔗 Ik heb de draden weer gespannen.
vierspan
Quadriga