| Nederlands | Afrikaans (indirect vertaald) | Esperanto |
|---|
| (bijhouden; vasthouden; voeren; huldigen) | | |
🔗 Hij maakte de hond los en hield hem aan de lijn naast zich.
|
| (gadeslaan; observeren; waarnemen; in acht nemen) | | |
🔗 Kan iemand God kennen en zijn geboden niet houden?
|
| (nemen) | | |
🔗 „Als dat allemaal zo is,” zei ik, „is ze een betere actrice dan waarvoor ik haar hield.
|
| (ophouden; vasthouden) | | |
🔗 Probeer ’m deze keer in de cel te houden.
|
| (zeker; zeker wel) | ; | |
🔗 Ik ben vast op het goede spoor.
|
| (bepaald; zeker; stellig; geheid; beslist; met zekerheid) | ; | |
| (blijvend; voortdurend; duurzaam; permanent) | | |
🔗 Je bent nooit erg op vast werk gesteld geweest, wel?
|
| (onbeweeglijk; star) | | |
| (gevestigd; hecht; stevig) | ; ; | |
| (geheid; stellig; vaststaand; zeker) | | |
🔗 Maar de uitgever is een vreemd iemand, dat is vast.
|