Niederländisch–Deutsches Wörterbuch

Deutsche Übersetzung des niederländischen Wortes grijs

Niederländisch → Deutsch
  
NiederländischDeutsch (indirekt übersetzt)Esperanto
Grau
(grauw)
grau
; ;
eintönig
;
Grau‐
🔗 Al gauw doemde er een grijs plekje in de duisternis op.
blaugrau
🔗 De oude bladeren zijn aan de bovenkant donker blauwgrijs en van onderen geelachtig groen.
(grijsaardcactus)
Greisenhaupt
graublau
🔗 Toen de man zich langzaam omkeerde en hem met zijn oplettende, ernstige grijsblauwe ogen aankeek, wist hij dat dit een officieel bezoek was.
grauhaarig
(grauwachtig; grijsachtig)
gräulich
🔗 Daar lag de grote, grijzige massa.
hellgrau
(grijs worden; grijzen)
ergrauen
;
grau werden
🔗 Hij liep gebogen en zijn haar was, net als dat van de moeder, door zorgen en armoede vroegtijdig vergrijsd.