| nederlanda | esperanto |
|---|
| (kletteren; klingelen; tingelen; tinkelen) | |
|
| (doen rinkelen; tokkelen) | |
🔗 Knorrig rinkelde hij de tafelbel en wachtte op de komst van de trouwe knecht.
|
| (gekletter; geklingel; gerinkel) | () |
🔗 Het rinkelen van de telefoon drong niet direct tot hem door.
|
| |
🔗 Diep terneergeslagen verliet hij het toneel van zijn lezing, terwijl achter hem geschreeuw en het gerinkel van glaswerk klonk.
|
| (geklingel; rinkelen) | () |
🔗 Maar van beneden was het gerinkel van de telefoon te horen.
|
| (bel; schel) | |
| (tamboerijn) | |