English–Dutch dictionary
Dutch translation of the English word wearer
| English | Dutch (translated indirectly) | Esperanto |
|---|---|---|
| ; | ||
| ||
| (go about; tack) | bij de wind draaien ; overstag gaan | taki |
slijtage | ||
| (continue; endure; keep on; last; persist; go on) | ; ; ; ; | |
| (carry) | ||
| ||
| English | Dutch |
|---|---|
| wearer | ⇆ drager |
| wear | ⇆ aanhebben; ⇆ afmatten; ⇆ afslijten; ⇆ degelijkheid; ⇆ dracht; ⇆ dragen; ⇆ gebruik; ⇆ goed; ⇆ houdbaarheid; ⇆ kleding; ⇆ kleren; ⇆ lang vallen; ⇆ slijtage; ⇆ slijten; ⇆ uitsluiten; ⇆ vermoeien; ⇆ verslijten; ⇆ vertonen; ⇆ voorbijgaan; ⇆ voorhebben; ⇆ zich houden; ⇆ zich laten dragen |