English–Dutch dictionary
Dutch translation of the English word spread
| English | Dutch (translated indirectly) | Esperanto |
|---|---|---|
spread (promote; push; propagate) | ||
spread (broaden; disseminate; dispense; disperse; propagate; widen) | ; | |
spread (anoint; smear; grease; apply) | ; | ŝmiri |
spread (expansion; extension; extend; span; purview) | ||
spread (ointment) | ||
spread (treat; entertainment) | ||
spread (lay out; spread out; extend; spread‐eagle) | ; | |
spread (dispense; disperse; propagate) | ; ; | |
spread (expand; reach; stretch; stretch out) | ||
spread (run; expand; extend; range; reach; stretch) | ||
spread out | ; ; ; | |
spread out (lay out; spread; extend; spread‐eagle) | ||
bedspread (counterpane; coverlet) | ; | lita superkovrilo |
spread‐eagle (lay out; spread; spread out; extend) | ; ; |
| English | Dutch |
|---|---|
| spread | ⇆ beddesprei; ⇆ beleggen; ⇆ besmeren; ⇆ bestrijken; ⇆ hand over hand toenemen; ⇆ in omloop brengen; ⇆ omvang; ⇆ om zich heen grijpen; ⇆ onthaal; ⇆ rondvertellen; ⇆ smeersel; ⇆ smeren; ⇆ spannen; ⇆ spanning; ⇆ sprei; ⇆ spreiden; ⇆ spreiding; ⇆ strijken; ⇆ tafelkleed; ⇆ uitbreiden; ⇆ uitgestrektheid; ⇆ uitslaan; ⇆ uitsmeren; ⇆ uitspannen; ⇆ uitspreiden; ⇆ uitstrijken; ⇆ uitstrooien; ⇆ uitwaaieren; ⇆ uitzetten; ⇆ verbreiden; ⇆ verbreiding; ⇆ verspreiden; ⇆ verspreiding; ⇆ vlucht; ⇆ voortplanten; ⇆ voortwoekeren; ⇆ zich uitbreiden; ⇆ zich uitspreiden; ⇆ zich uitstrekken; ⇆ zich verbreiden; ⇆ zich verspreiden |
| centre spread | ⇆ <publicatie over middenpagina’s> |
| cheese spread | ⇆ smeerkaas |
| double‐page spread | ⇆ <publicatie over een dubbele pagina> |
| middle‐aged spread | ⇆ middelbare‐leeftijdsbuikje |
| middle‐age spread | ⇆ middelbare‐leeftijdsbuikje |
| spread its tail | ⇆ pronken |
| spread like wildfire | ⇆ zich als een lopend vuurtje verspreiden |
| spread out | ⇆ uitspreiden; ⇆ uitzetten |
| spread over | ⇆ bestrijken; ⇆ verdelen over |
| spread to | ⇆ overslaan op |
| spread with | ⇆ bestrijken met |
| bedspread | ⇆ beddesprei; ⇆ bedsprei; ⇆ sprei |
| overspread | ⇆ overdekken; ⇆ zich verspreiden over |
| spreader | ⇆ sproeier; ⇆ uitstrooier; ⇆ verspreider |
| wing‐spread | ⇆ vlucht |