English–Dutch dictionary
Dutch translation of the English word speak‐easy
| English | Dutch (translated indirectly) | Esperanto |
|---|---|---|
| ; | ||
| ||
| (talk) | ; | |
| ||
| ; | ||
| ||
| English | Dutch |
|---|---|
| speak‐easy | ⇆ <illegale kroeg tijdens de Amerikaanse drooglegging> |
| speak | ⇆ aanslaan; ⇆ aanspreken; ⇆ een rede houden; ⇆ in het openbaar spreken; ⇆ met elkaar spreken; ⇆ praaien; ⇆ praten; ⇆ redevoeren; ⇆ spreken; ⇆ spreken van; ⇆ sprekend zijn; ⇆ tegen elkaar spreken; ⇆ uitdrukken; ⇆ uitspreken; ⇆ zeggen; ⇆ zich laten horen |