English–Dutch dictionary
Dutch translation of the English word sell
| English | Dutch (translated indirectly) | Esperanto |
|---|---|---|
| ; | ||
| ||
sell on credit | vendi kredite | |
sell well | aftrek vinden ; afzet vinden | havi debiton |
| (vendor) | ||
| English | Dutch |
|---|---|
| sell | ⇆ aan de man brengen; ⇆ afzetten; ⇆ beetnemen; ⇆ goed verkocht worden; ⇆ ingang doen vinden; ⇆ ómzetten; ⇆ overdoen; ⇆ slijten; ⇆ van de hand doen; ⇆ verkocht worden; ⇆ verkopen; ⇆ verraden |
| be sold a pup | ⇆ een kat in de zak kopen |
| be sold on | ⇆ ingenomen zijn met; ⇆ wild zijn van |
| hard sell | ⇆ agressief verkooppraatje; ⇆ agressieve verkoopmethode |
| not be able to sell something for love of money | ⇆ iets aan de straatstenen niet kwijt kunnen |
| sell at a sacrifice | ⇆ met verlies verkopen |
| sell by auction | ⇆ bij opbod verkopen; ⇆ in veiling brengen; ⇆ veilen |
| sell by retail | ⇆ in het klein verkopen |
| sell dear | ⇆ duur verkopen |
| sell dearly | ⇆ duur verkopen |
| sell like hot cakes | ⇆ als warme broodjes over de toonbank gaan |
| sell off | ⇆ opruimen; ⇆ uitverkopen; ⇆ verkopen |
| sell on credit | ⇆ borgen |
| sell oneself | ⇆ zich verkopen; ⇆ zichzelf aanprijzen; ⇆ zichzelf verkopen |
| sell oneself short | ⇆ zich te kort doen; ⇆ zichzelf slecht verkopen |
| sell one’s life dearly | ⇆ zijn leven duur verkopen |
| sell out | ⇆ liquideren; ⇆ uitverkocht raken; ⇆ verkopen |
| sell out to | ⇆ gemene zaak maken met; ⇆ overlopen naar; ⇆ zichzelf verkwanselen |
| sell readily | ⇆ gerede aftrek vinden |
| sell retail | ⇆ in het klein verkopen |
| sell short | ⇆ à la baisse speculeren |
| sell somebody a pup | ⇆ iemand knollen voor citroenen verkopen |
| sell somebody down the river | ⇆ iemand een loer draaien; ⇆ iemand in de steek laten; ⇆ iemand laten vallen; ⇆ iemand verraden |
| sell somebody on | ⇆ iemand winnen voor |
| sell under execution | ⇆ bij executie laten verkopen; ⇆ executoriaal laten verkopen |
| sell up | ⇆ laten verkopen; ⇆ opheffingsuitverkoop houden |
| sell well | ⇆ aftrek vinden; ⇆ afzet vinden; ⇆ een groot debiet hebben; ⇆ goed gaan; ⇆ goed lopen; ⇆ goed van de hand gaan; ⇆ goede aftrek vinden |
| soft sell | ⇆ gemoedelijk verkooppraatje; ⇆ gemoedelijke verkoopmethode |
| oversell | ⇆ bovenmatig aanprijzen; ⇆ meer verkopen dan geleverd kan worden |
| resell | ⇆ doorverkopen; ⇆ opnieuw verkopen |
| sellout | ⇆ uitverkochte voorstelling; ⇆ uitverkochte zaal; ⇆ verraad |
| seller | ⇆ verkoper |
| undersell | ⇆ beneden de prijs verkopen; ⇆ onder de markt verkopen; ⇆ onder de prijs verkopen; ⇆ voor minder verkopen dan |