English–Dutch dictionary
Dutch translation of the English word remote control
| English | Dutch (translated indirectly) | Esperanto |
|---|---|---|
remote control | ||
remote control | ||
| (operate; work; enable; implement; actuate; run) | ||
| (break; subdue; train) | ; ; tot gehoorzaamheid dwingen | obeigi |
| (controller) | ||
| (management) | ; staatsadministratie ; staatsmonopolie | |
| (reign; rule; governance; regulation; ruling; ascendancy; ascendance) | ; | |
| ||
| (bridle; check; restrain; curb; inhibit; rein in; contain) | ||
| ; | ||
| ||
remote (distant; far; far‐away) | ; ; verafgelegen ; | |
| English | Dutch |
|---|---|
| remote control | ⇆ afstandsbediening |
| control | ⇆ bedienen; ⇆ bediening; ⇆ bedieningspaneel; ⇆ bedwang; ⇆ bedwingen; ⇆ beheer; ⇆ beheersen; ⇆ beheersing; ⇆ beheren; ⇆ beperking; ⇆ bestrijden; ⇆ bestrijding; ⇆ besturen; ⇆ besturing; ⇆ bestuur; ⇆ controle; ⇆ controleren; ⇆ in bedwang houden; ⇆ leiden; ⇆ leiding; ⇆ macht; ⇆ nakijken; ⇆ regelaar; ⇆ regelen; ⇆ regeling; ⇆ regelknop; ⇆ regeren; ⇆ toezicht; ⇆ zeggenschap; ⇆ zelfbeheersing |
| remote | ⇆ afgelegen; ⇆ afgezonderd; ⇆ gering; ⇆ onwaarschijnlijk; ⇆ ver; ⇆ verafgelegen; ⇆ verre; ⇆ verwijderd |