English–Dutch dictionary
Dutch translation of the English word go‐ahead
| English | Dutch (translated indirectly) | Esperanto |
|---|---|---|
go ahead (go forward; advance; progress; come forward; move forward) | ||
| ; ; | ||
| ||
| (on; forth; forward; forwards; onward; to the fore) | ; | |
| (advanced; along) | ; ; | |
| (following; next; coming; subsequent) | ; | |
| (next; forthcoming; future; coming; upcoming) | ; ; ; ; | |
| (be going to; will; shall) | <futura helpverbo> | |
| ||
| (ride; travel; drive) | ||
| (wend) | ||
| ||
| English | Dutch |
|---|---|
| go ahead | ⇆ doortasten; ⇆ ga uw gang; ⇆ van start gaan; ⇆ van wal steken; ⇆ voortgaan; ⇆ vooruitboeren; ⇆ vooruitgaan; ⇆ vooruitgang boeken; ⇆ vooruitkomen |
| go‐ahead | ⇆ goedkeuring; ⇆ ondernemend; ⇆ verlof; ⇆ voortvarend; ⇆ vooruitstrevend |
| give the go‐ahead | ⇆ het groene licht geven; ⇆ het licht op groen zetten |
| ahead | ⇆ haastig; ⇆ hals over kop; ⇆ in het verschiet; ⇆ komende; ⇆ voor; ⇆ voor de boeg; ⇆ vooraan; ⇆ vooruit; ⇆ voorwaarts |
| go | ⇆ aanval; ⇆ afgaan; ⇆ aflopen; ⇆ behoren; ⇆ beurt; ⇆ bezwijken; ⇆ blijven; ⇆ doodgaan; ⇆ elan; ⇆ eraan moeten geloven; ⇆ fut; ⇆ gaan; ⇆ gang; ⇆ gangbaar zijn; ⇆ heengaan; ⇆ horen; ⇆ hup; ⇆ keer; ⇆ lopen; ⇆ luiden; ⇆ mode; ⇆ opraken; ⇆ opstappen; ⇆ overgaan; ⇆ poging; ⇆ reiken; ⇆ stuk gaan; ⇆ thuishoren; ⇆ tijgen; ⇆ trekken; ⇆ uitvallen; ⇆ vaart; ⇆ verdwijnen; ⇆ verstrijken; ⇆ wegraken; ⇆ worden; ⇆ zich voltrekken; ⇆ zijn |