Diccionario neerlandés–español

Traducción española de la palabra neerlandesa trek

neerlandés → español
  
neerlandésespañol (traducido indirectamente)esperanto
(eetlust; graagte)
apetito
🔗 Ik lijd aan verval van krachten en ik heb geen trek.
(haal; teug)
tracción
(migratie)
migración
🔗 Voor de natuur kan deze trek naar de stad positieve gevolgen hebben.
(gelaatstrek)
rasgo
🔗 Ik lette meer op de trekken van de derde persoon, degene die Random nooit eerder had gezien, zoals hij had gezegd.
(tic)
tic
tiko
trek hebben in
(begeren; verkiezen; verlangen; wensen; verlangen naar; zin hebben; zin hebben in)
desear
(trek)
rasgo
(aanlokken; aantrekken)
atraer
;
cautivar
;
seducir
(aanhalen; aantrekken)
atraer
🔗 Maar het was het etiket dat Poirots aandacht trok.
(tekenen; aftekenen; uittekenen)
dibujar
desenvainar
(tappen; uittrekken)
arrancar
🔗 De officier trok zijn pistool en vuurde.
(slepen)
halar
;
remolcar
(aftrekken; laten trekken; zetten)
hacer una infusion
;
infundir
🔗 „Het bespaart me in de voeding”, placht zij te zeggen wanneer ze er een voedzaam soepje van trok.
cojear
correr mundo
;
mudarse de país
rayar
;
trazar una línea
streki
chupar
suĉi
🔗 Hij trok aan zijn sigaar.
(halen)
tirar
🔗 Als je aan dit touw trekt, halen we je weer naar boven.