Konjugationen av det nederländska verbet druipen

Oregelbundna former är tryckta i rött.
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) druip(ik) droop
(jij) druipt; druip (jij)(jij) droop
(hij) druipt(hij) droop
(wij) druipen(wij) dropen
(gij) druipt(gij) droopt
(zij) druipen(zij) dropen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) druipe(dat ik) drope
(dat jij) druipe(dat jij) drope
(dat hij) druipe(dat hij) drope
(dat wij) druipen(dat wij) dropen
(dat gij) druipet(dat gij) dropet
(dat zij) druipen(dat zij) dropen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
druipdruipt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
druipend(e)(hebben1/zijn2) gedropen


Noter

1

Exempel: De goot heeft daar altijd een beetje gedropen.

2

Exempel: Er is wat olie uit de tank gedropen.