Synonymer: och, allemachtig, tjonge, allemensen, gut, goh, tjee, tsjonge, amaai, asjemenou, ho
| Del av tal | interjection |
|---|
| Uttal | /o/ |
|---|
| Avstavning | o |
|---|
O, is dat het!
O nee, daar is geen sprake van.
Ik zag hem niet groter dan hij was, o nee.
„O, wat dat betreft, meneer,” antwoordde de man, „wij suppoosten hebben altijd getwijfeld.”
O, dat kan me niet schelen.
O, hij heeft mijn lessen heel goed geleerd!
O, hadden ze iets te vieren?
O, een feest is het wel, in zekere zin.
„O broeder,” riep de sultan op een toon die bewees hoe goed hij de verontwaardiging van Schahzenan kon begrijpen, „wat een afschuwelijke geschiedenis vertelt ge me daar!”