Information om ordet uitvaren (nederländska → esperanto: forveturi)

Synonymer: afrijden, uitlopen, wegrijden, wegvaren

Del av talverb
Uttal/ˈœʏ̯tfaːrə(n)/
Avstavninguit·va·ren

Konjugation

Indikativ
PresensDåtid
(ik) vaar uit(ik) voer uit
(jij) vaart uit(jij) voer uit
(hij) vaart uit(hij) voer uit
(wij) varen uit(wij) voeren uit
(jullie) varen uit(jullie) voeren uit
(gij) vaart uit(gij) voert uit
(zij) varen uit(zij) voeren uit
Konjunktiv
PresensDåtid
(dat ik) uitvare(dat ik) uitvoere
(dat jij) uitvare(dat jij) uitvoere
(dat hij) uitvare(dat hij) uitvoere
(dat wij) uitvaren(dat wij) uitvoeren
(dat jullie) uitvaren(dat jullie) uitvoeren
(dat gij) uitvaret(dat gij) uitvoeret
(dat zij) uitvaren(dat zij) uitvoeren
Imperativ
Singular/PluralPlural
vaar uitvaart uit
Particip
Nuvarande participPerfektparticip
uitvarend, uitvarende(zijn) uitgevaren

Användningsexempel

Vandaar zouden zij begin mei uitvaren en de geplande invasie van Port Moresby, aan de zuidoostkust van Nieuw‐Guinea steunen.
Morgen vaar ik uit en niemand kan me daar nog van afbrengen.
Hij vaart morgenvroeg uit.
Vroeger, vóór de draadloze telegrafie bestond, was het niet zo vreemd dat een schip uitvoer en spoorloos verdween, zonder dat er ooit meer iets van vernomen werd.

Översättningar

afrikaansvertrek
danska2afrejse
engelskadrive away; leave; sail away
esperantoforveturi
franskapartir
malajiskaberangkat
polskawyjechać
portugisiskaausentar‐se; partir
saterfrisiskaoufiere; ouraisje
spanskasalir
thailändskaออก
tyskaabfahren; abreisen