Information om ordet spelen (nederländska → esperanto: ludi)

Del av talverb
Uttal/spelə(n)/
Avstavningspe·len

Konjugation

Indikativ
PresensDåtid
(ik) speel(ik) speelde
(jij) speelt(jij) speelde
(hij) speelt(hij) speelde
(wij) spelen(wij) speelden
(jullie) spelen(jullie) speelden
(gij) speelt(gij) speeldet
(zij) spelen(zij) speelden
Konjunktiv
PresensDåtid
(dat ik) spele(dat ik) speelde
(dat jij) spele(dat jij) speelde
(dat hij) spele(dat hij) speelde
(dat wij) spelen(dat wij) speelden
(dat jullie) spelen(dat jullie) speelden
(dat gij) spelet(dat gij) speeldet
(dat zij) spelen(dat zij) speelden
Imperativ
Singular/PluralPlural
speelspeelt
Particip
Nuvarande participPerfektparticip
spelend, spelende(hebben) gespeeld

Användningsexempel

Er werden een paar potjes gespeeld, maar het geluk had Cugel in de steek gelaten.
De chauffeurs speelden pandoer en letten niet op hem.
De Witrussische voetbalfederatie denkt dat er op dit moment gewoon gespeeld kan worden.
Het is niet het enige verschil met het schaak dat wij nu spelen.

Översättningar

afrikaansspeel
esperantoludi
italienskagiocare
patwaplie
ryskaиграть
tyskaspielen
ukrainskaграти; грати в
västfrisiskaspylje