Informazioni sulla parola rijden (olandese → Esperanto: veturigi)

Sinonimi: chaufferen, vervoeren

Parte del discorsoverb
Pronuncia/ˈrɛɪ̯də(n)/
Sillabazionerij·den

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) rij, rijd(ik) reed
(jij) rijdt(jij) reed
(hij) rijdt(hij) reed
(wij) rijden(wij) reden
(jullie) rijden(jullie) reden
(gij) rijdt(gij) reedt
(zij) rijden(zij) reden
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) rijde(dat ik) rede
(dat jij) rijde(dat jij) rede
(dat hij) rijde(dat hij) rede
(dat wij) rijden(dat wij) reden
(dat jullie) rijden(dat jullie) reden
(dat gij) rijdet(dat gij) redet
(dat zij) rijden(dat zij) reden
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
rij, rijdrijdt
Participi
Participio presenteParticipio passato
rijdend, rijdende(hebben) gereden

Esempi di utilizzo

Daarna kan ik jou naar het vliegveld rijden.
Op hetzelfde moment klom juffrouw Doddel in de autobus die haar naar de stad zou rijden.
Henley reed de Saint naar Wilmington, na hem enkele verdere bijzonderheden de hebben medegedeẹld.

Traduzioni

cecojet; vézt
danesekøre
esperantoveturigi
frisone di Saterlandfiere
inglesedrive
papiamentokore
portogheseconduzir; transportar
spagnoloconducir; dirigir
tailandeseขับ; ขับขี่
tedescofahren; auflesen