Informazioni sulla parola verzaken (olandese → Esperanto: preterlasi)

Sinonimi: uitlaten, weglaten, overslaan, aan zich voorbij laten gaan

Parte del discorsoverb
Pronuncia/vərˈzak(n)/
Sillabazionever·za·ken

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) verzaak(ik) verzaakte
(jij) verzaakt(jij) verzaakte
(hij) verzaakt(hij) verzaakte
(wij) verzaken(wij) verzaakten
(jullie) verzaken(jullie) verzaakten
(gij) verzaakt(gij) verzaaktet
(zij) verzaken(zij) verzaakten
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) verzake(dat ik) verzaakte
(dat jij) verzake(dat jij) verzaakte
(dat hij) verzake(dat hij) verzaakte
(dat wij) verzaken(dat wij) verzaakten
(dat jullie) verzaken(dat jullie) verzaakten
(dat gij) verzaket(dat gij) verzaaktet
(dat zij) verzaken(dat zij) verzaakten
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
verzaakverzaakt
Participi
Participio presenteParticipio passato
verzakend, verzakende(hebben) verzaakt

Traduzioni

catalanodeixar passar; desatendre; passar de llarg
daneseudelade
esperantopreterlasi
franceseomettre
frisone di Saterlandferpaasje; ferfailje
frisone occidentaleweilitte
ingleseleave out; overlook; skip
portoghesedeixar passar; escapar; omitir; preterir
spagnolodesaprovechar
tedescoverpassen