Informazioni sulla parola annuleren (olandese → Esperanto: nuligi)

Sinonimi: afgelasten, terugnemen, opzeggen, afzeggen, afblazen, terugdraaien

Parte del discorsoverb
Pronuncia/ɑnuˈleːrə(n)/
Sillabazionean·nu·le·ren

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) annuleer(ik) annuleerde
(jij) annuleert(jij) annuleerde
(hij) annuleert(hij) annuleerde
(wij) annuleren(wij) annuleerden
(jullie) annuleren(jullie) annuleerden
(gij) annuleert(gij) annuleerdet
(zij) annuleren(zij) annuleerden
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) annulere(dat ik) annuleerde
(dat jij) annulere(dat jij) annuleerde
(dat hij) annulere(dat hij) annuleerde
(dat wij) annuleren(dat wij) annuleerden
(dat jullie) annuleren(dat jullie) annuleerden
(dat gij) annuleret(dat gij) annuleerdet
(dat zij) annuleren(dat zij) annuleerden
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
annuleerannuleert
Participi
Participio presenteParticipio passato
annulerend, annulerende(hebben) geannuleerd

Esempi di utilizzo

Ryanair annuleert de aangekondigde vluchten naar de Oekraïne vanuit Eindhoven.
Bijgevolg werd om 20 minuten na middernacht een bevel naar Kurita’s vloot gezonden, waarin de missie werd geannuleerd.
Eerder op de dag zei KLM nog geen vluchten naar China te gaan annuleren.
De vlucht is geannuleerd.

Traduzioni

afrikaanskanselleer
albaneseabrogoj
daneseaflyse; sende afbud
esperantonuligi
faroensegera til einkis; taka aftur
franceseannuler; supprimer; abroger
frisone di Saterlandannullierje; kassierje
frisone occidentaleannulearje; ôfsizze; skrasse
ingleseannul; cancel; rescind
italianoannullare
malesebatalkan; membatalkan
papiamentoanulá; kanselá
portogheseanular; declarar sem efeito; revogar
romenoabroga; anula
spagnoloanular; contramandar
svedesearbeställa
tedescoannullieren; für null und nichtig erklären; kassieren; absagen
turcofeshetmek; iptal etmek
ungheresemegsemmisít