Informazioni sulla parola neerstorten (olandese → Esperanto: kraŝi)

Sinonimi: verongelukken, crashen

Parte del discorsoverb
Pronuncia/ˈneːrstɔrtə(n)/
Sillabazioneneer·stor·ten

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) stort neer(ik) stortte neer
(jij) stort neer(jij) stortte neer
(hij) stort neer(hij) stortte neer
(wij) storten neer(wij) stortten neer
(jullie) storten neer(jullie) stortten neer
(gij) stort neer(gij) storttet neer
(zij) storten neer(zij) stortten neer
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) neerstorte(dat ik) neerstortte
(dat jij) neerstorte(dat jij) neerstortte
(dat hij) neerstorte(dat hij) neerstortte
(dat wij) neerstorten(dat wij) neerstortten
(dat jullie) neerstorten(dat jullie) neerstortten
(dat gij) neerstortet(dat gij) neerstorttet
(dat zij) neerstorten(dat zij) neerstortten
Participi
Participio presenteParticipio passato
neerstortend, neerstortende(zijn) neergestort

Esempi di utilizzo

Een F‐18‐gevechtsvliegtuig van de Spaanse luchtmacht is vrijdag neergestort in de provincie Teruel, ten noorden van Valencia.
Wij hadden ook wel kunnen neerstorten.
Het schip moet hier duizenden jaren geleden zijn neergestort.
In Turkije is donderdag een helikopter neergestort bij het blussen van een bosbrand.
Het vijandelijk toestel stortte niet brandend neer.

Traduzioni

esperantokraŝi
inglesecrash
tedescoabstürzen; zusammenbrechen; pleite machen