Informazioni sulla parola benadelen (olandese → Esperanto: kaŭzi malutilon al)

Sinonimo: duperen

Parte del discorsoverb
Pronuncia/bəˈnadelə(n)/
Sillabazionebe·na·de·len

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) benadeel(ik) benadeelde
(jij) benadeelt(jij) benadeelde
(hij) benadeelt(hij) benadeelde
(wij) benadelen(wij) benadeelden
(jullie) benadelen(jullie) benadeelden
(gij) benadeelt(gij) benadeeldet
(zij) benadelen(zij) benadeelden
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) benadele(dat ik) benadeelde
(dat jij) benadele(dat jij) benadeelde
(dat hij) benadele(dat hij) benadeelde
(dat wij) benadelen(dat wij) benadeelden
(dat jullie) benadelen(dat jullie) benadeelden
(dat gij) benadelet(dat gij) benadeeldet
(dat zij) benadelen(dat zij) benadeelden
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
benadeelbenadeelt
Participi
Participio presenteParticipio passato
benadelend, benadelende(hebben) benadeeld

Esempi di utilizzo

Een Belgische ambtenaar zou de schatkist voor ruim 110 miljoen euro hebben benadeeld.

Traduzioni

esperantokaŭzi malutilon al
ingleseharm; hurt; injure; prejudice