Informazioni sulla parola doen (olandese → Esperanto: igi)

Sinonimi: laten, laten doen, maken, ertoe brengen

Parte del discorsoverb
Pronuncia/dun/
Sillabazionedoen

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) doe(ik) deed
(jij) doet(jij) deed
(hij) doet(hij) deed
(wij) doen(wij) deden
(jullie) doen(jullie) deden
(gij) doet(gij) deedt
(zij) doen(zij) deden
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) doe(dat ik) dede
(dat jij) doe(dat jij) dede
(dat hij) doe(dat hij) dede
(dat wij) doen(dat wij) deden
(dat jullie) doen(dat jullie) deden
(dat gij) doet(dat gij) dedet
(dat zij) doen(dat zij) deden
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
doedoet
Participi
Participio presenteParticipio passato
doend, doende(hebben) gedaan

Esempi di utilizzo

Een klopje op de deur deed Cugel uit zijn rust ontwaken.
Een nieuw geluid deed hem opschrikken.
Simon Templar deed de wagen op enige afstand stilhouden.
O, dede nu een bevel van de generaal zijne compagnie naar een ander dorp vertrekken!

Traduzioni

catalanocausar
cecovyvolat; způsobit
creolo giamaicanomek
esperantoigi
faroensegera; fáa at; lata
finlandesetehdä
francesefaire; rendre
frisone di Saterlanddwo; läite; dwo läite; moakje; feranlasje
frisone occidentaledwaan; litte; meitsje
inglesemake
papiamentohasi
polacoczynić czymś; skłaniać do czegoś
spagnolocausar
suaheli‐tia
tailandeseให้
tedescomachen; veranlassen; bewirken; verursachen; lassen