Informazioni sulla parola rekenen (olandese → Esperanto: kalkuli)

Parte del discorsoverb
Pronuncia/ˈrekənə(n)/
Sillabazionere·ke·nen

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) reken(ik) rekende
(jij) rekent(jij) rekende
(hij) rekent(hij) rekende
(wij) rekenen(wij) rekenden
(jullie) rekenen(jullie) rekenden
(gij) rekent(gij) rekendet
(zij) rekenen(zij) rekenden
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) rekene(dat ik) rekende
(dat jij) rekene(dat jij) rekende
(dat hij) rekene(dat hij) rekende
(dat wij) rekenen(dat wij) rekenden
(dat jullie) rekenen(dat jullie) rekenden
(dat gij) rekenet(dat gij) rekendet
(dat zij) rekenen(dat zij) rekenden
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
rekenrekent
Participi
Participio presenteParticipio passato
rekenend, rekenende(hebben) gerekend

Esempi di utilizzo

Je kunt er niet nog eens op rekenen.
Daar rekent hij tenminste op.
De Witrussische president Lukašenko kan rekenen op de steun van Rusland.

Traduzioni

esperantokalkuli
inglesecount
tedescorechnen