Informazioni sulla parola roepen (olandese → Esperanto: voki)

Parte del discorsoverb
Pronuncia/ˈrupə(n)/
Sillabazioneroe·pen

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) roep(ik) riep
(jij) roept(jij) riep
(hij) roept(hij) riep
(wij) roepen(wij) riepen
(jullie) roepen(jullie) riepen
(gij) roept(gij) riept
(zij) roepen(zij) riepen
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) roepe(dat ik) riepe
(dat jij) roepe(dat jij) riepe
(dat hij) roepe(dat hij) riepe
(dat wij) roepen(dat wij) riepen
(dat jullie) roepen(dat jullie) riepen
(dat gij) roepet(dat gij) riepet
(dat zij) roepen(dat zij) riepen
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
roeproept
Participi
Participio presenteParticipio passato
roepend, roepende(hebben) geroepen

Esempi di utilizzo

Mevrouw, heeft u mij hierheen geroepen met uw muziek?

Traduzioni

esperantovoki
tedescorufen