Sinonimi: alleen maar, alleen … maar, maar, slechts, uitsluitend, enkel
| Parte del discorso | adverb |
|---|
| Pronuncia | /ɑˈlen/ |
|---|
| Sillabazione | al·leen |
|---|
Ik wilde alleen zeggen dat ik u over de dood van de clown niets kan zeggen.
Hij had geld genoeg op zak en om redenen die alleen hemzelf waarschijnlijk bekend waren, vestigde hij zijn aandacht op de Oude Wereld.
Ze wilde me vermoorden—dat zag ik in haar ogen—maar ze had me nodig en deze keer niet alleen voor de gezelligheid.
Hier kan alleen heer Bommels portefeuille nog helpen.