Informazioni sulla parola runnen (olandese → Esperanto: estri)

Sinonimi: aanvoeren, besturen, regeren, leiden, aan het hoofd staan van

Parte del discorsoverb
Pronuncia/ˈrɵnə(n)/
Sillabazionerun·nen

Coniugazione

Modo indicativo
PresentePassato
(ik) run(ik) runde
(jij) runt(jij) runde
(hij) runt(hij) runde
(wij) runnen(wij) runden
(jullie) runnen(jullie) runden
(gij) runt(gij) rundet
(zij) runnen(zij) runden
Modo congiuntivo
PresentePassato
(dat ik) runne(dat ik) runde
(dat jij) runne(dat jij) runde
(dat hij) runne(dat hij) runde
(dat wij) runnen(dat wij) runden
(dat jullie) runnen(dat jullie) runden
(dat gij) runnet(dat gij) rundet
(dat zij) runnen(dat zij) runden
Modo imperativo
Singolare/PluralePlurale
runrunt
Participi
Participio presenteParticipio passato
runnend, runnende(hebben) gerund

Esempi di utilizzo

Wat betreft Musk, die krijgt de kans om feitelijk de Amerikaanse overheid te runnen.

Traduzioni

afrikaansbestuur; aanvoer
basso‐tedescobestüren; regeren
daneselede
esperantoestri
inglesegovern; restrain; cover; head; master; be in charge; be in charge of; be at the head of; spearhead
portogheseadministrar; dirigir
spagnolocapitanear; subyugar
sranan tongoprey basi; prey edeman
tedescoleiten; führen; anführen; befehligen