Sinonimi: juist, pas, straks, zojuist, zoëven, daarnet, daarstraks, zonet, daareven, temee, zopas
| Parte del discorso | adverb |
|---|
| Pronuncia | /nɛt/ |
|---|
| Sillabazione | net |
|---|
Hij is net deze ochtend vertrokken!
En Joost is net met een eenvoudige doch voedzame maaltijd bezig.
De zon was net op.
Toen hij zich buiten weer naar zijn voertuig begaf, kwam hij toevallig net de ambtenaar Dorknoper tegen.
Ik heb net gesproken met een medewerkster van Telfort.
Hij zag een man die dertig meter verder net op zijn paard aan het klimmen was.