Information du mot zich wreken (néerlandais → espéranto: venĝi)

Synonyme: wraak nemen

Parti du discoursverbe pronominal
Césurezich wre·ken

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) wreek mij(ik) wrook mij, wreekte mij
(jij) wreekt je(jij) wrook je, wreekte je
(hij) wreekt zich(hij) wrook zich, wreekte zich
(wij) wreken ons(wij) wroken ons, wreekten ons
(jullie) wreken ons(jullie) wroken ons, wreekten ons
(gij) wreekt u(gij) wrookt u, wreektet u
(zij) wreken zich(zij) wroken zich, wreekten zich
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) mij zich wreke(dat ik) mij wroke, mij wreekte
(dat jij) je zich wreke(dat jij) je wroke, je wreekte
(dat hij) zich zich wreke(dat hij) zich wroke, zich wreekte
(dat wij) ons wreken(dat wij) ons wroken, ons wreekten
(dat jullie) ons wreken(dat jullie) ons wroken, ons wreekten
(dat gij) u wreket(dat gij) u wroket, u wreektet
(dat zij) zich wreken(dat zij) zich wroken, zich wreekten
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
wreek jewreekt je
Participes
Participe présentParticipe passé
zich wrekend, zich wrekende(hebben) zich gewroken

Exemples d’usage

Na zich zo gewroken te hebben, verliet hij de stad zoals hij er gekomen was en trok zich in zijn tent terug.
Ik zal me wreken!
Hij maakte zich zorgen omdat de meeste gevangenen daar op zijn bevel zaten, en blij zouden zijn met hun kans zich op hem te wreken.
Als je er maar met één persoon over spreekt, zal ik mij wreken op jou en jullie gezin!