Information du mot opendoen (néerlandais → espéranto: malfermi)

Synonyme: openen

Parti du discoursverbe
Prononciation/ˈopə(n)dun/
Césureopen·doen

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) doe open(ik) deed open
(jij) doet open(jij) deed open
(hij) doet open(hij) deed open
(wij) doen open(wij) deden open
(jullie) doen open(jullie) deden open
(gij) doet open(gij) deedt open
(zij) doen open(zij) deden open
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) opendoe(dat ik) opendede
(dat jij) opendoe(dat jij) opendede
(dat hij) opendoe(dat hij) opendede
(dat wij) opendoen(dat wij) opendeden
(dat jullie) opendoen(dat jullie) opendeden
(dat gij) opendoet(dat gij) opendedet
(dat zij) opendoen(dat zij) opendeden
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
doe opendoet open
Participes
Participe présentParticipe passé
opendoend, opendoende(hebben) opengedaan

Exemples d’usage

Toen ze wakker werd en haar ogen opendeed, merkte ze dat het nog nacht was.
Ik zal mijn mond niet opendoen.

Traductions

afrikaansoopmaak
allemandöffnen
anglaisopen
espérantomalfermi