Information du mot raken (néerlandais → espéranto: finveni)

Synonymes: aanbelanden, aanlanden, terechtkomen, belanden, geraken

Parti du discoursverbe
Prononciation/ˈrakə(n)/
Césurera·ken

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) raak(ik) raakte
(jij) raakt(jij) raakte
(hij) raakt(hij) raakte
(wij) raken(wij) raakten
(jullie) raken(jullie) raakten
(gij) raakt(gij) raaktet
(zij) raken(zij) raakten
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) rake(dat ik) raakte
(dat jij) rake(dat jij) raakte
(dat hij) rake(dat hij) raakte
(dat wij) raken(dat wij) raakten
(dat jullie) raken(dat jullie) raakten
(dat gij) raket(dat gij) raaktet
(dat zij) raken(dat zij) raakten
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
raakraakt
Participes
Participe présentParticipe passé
rakend, rakende(zijn) geraakt

Exemples d’usage

De kar ratelde voort met een aardig vaartje, maar Reith wist dat hij geen kans had door de poort te raken.
Toen ze met de politiewagen in een wat rustiger verkeersstroom waren geraakt, keek Vledder opzij.

Traductions

afrikaansbeland; aanbeland
allemandhingeraten; geraten
anglaisend up
espagnolrecalar
espérantofinveni
françaisarriver
frison occidentalbedarje
frison saterlandloundje