Information du mot hebben (néerlandais → espéranto: havi)

Parti du discoursverbe
Prononciation/ɦɛbə(n)/
Césureheb·ben

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) heb(ik) had
(jij) hebt(jij) had
(hij) hebt(hij) had
(wij) hebben(wij) hadden
(jullie) hebben(jullie) hadden
(gij) hebt(gij) hadt
(zij) hebben(zij) hadden
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) hebbe(dat ik) hadde
(dat jij) hebbe(dat jij) hadde
(dat hij) hebbe(dat hij) hadde
(dat wij) hebben(dat wij) hadden
(dat jullie) hebben(dat jullie) hadden
(dat gij) hebbet(dat gij) haddet
(dat zij) hebben(dat zij) hadden
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
hebhebt
Participes
Participe présentParticipe passé
hebbend, hebbende(hebben) gehad

Exemples d’usage

Ouderen hebben geen angst voor techniek.
Maar heb niet de illusie dat de situatie niet erger kan worden.
Heb geen angst.
Ze heeft geen koorts meer en ze hoest niet meer.
Jan en ik hadden geen verstand van paarden, maar we hadden geluk.
Heb je hoofdpijn?

Traductions

afrikaans
anglaishave; have got
bas allemandhebben; hevven
espagnoltener
espérantohavi
frison occidentalhawwe
scotshae