Information du mot hebben (néerlandais → espéranto: havi)

Parti du discoursverbe
Prononciation/ɦɛbə(n)/
Césureheb·ben

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) heb(ik) had
(jij) hebt(jij) had
(hij) hebt(hij) had
(wij) hebben(wij) hadden
(jullie) hebben(jullie) hadden
(gij) hebt(gij) hadt
(zij) hebben(zij) hadden
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) hebbe(dat ik) hadde
(dat jij) hebbe(dat jij) hadde
(dat hij) hebbe(dat hij) hadde
(dat wij) hebben(dat wij) hadden
(dat jullie) hebben(dat jullie) hadden
(dat gij) hebbet(dat gij) haddet
(dat zij) hebben(dat zij) hadden
Participes
Participe présentParticipe passé
hebbend, hebbende(hebben) gehad

Exemples d’usage

Hij heeft een lange baard en rookt een pijp.
Elk boek heeft meer dan 1000 pagina’s.
Kyle was groter en had langere armen en was misschien zelfs wel sterker dan Bresker, maar hij zou hem zonder veel problemen kunnen verslaan.

Traductions

afrikaans
anglaishave
bas allemandhebben; hevven
espagnoltener
espérantohavi
frison occidentalhawwe
scotshae