Information du mot dineren (néerlandais → espéranto: vespermanĝi)

Synonymes: het avondmaal gebruiken, avondmalen

Parti du discoursverbe
Prononciation/diˈneːrə(n)/
Césuredi·ne·ren

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) dineer(ik) dineerde
(jij) dineert(jij) dineerde
(hij) dineert(hij) dineerde
(wij) dineren(wij) dineerden
(jullie) dineren(jullie) dineerden
(gij) dineert(gij) dineerdet
(zij) dineren(zij) dineerden
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) dinere(dat ik) dineerde
(dat jij) dinere(dat jij) dineerde
(dat hij) dinere(dat hij) dineerde
(dat wij) dineren(dat wij) dineerden
(dat jullie) dineren(dat jullie) dineerden
(dat gij) dineret(dat gij) dineerdet
(dat zij) dineren(dat zij) dineerden
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
dineerdineert
Participes
Participe présentParticipe passé
dinerend, dinerende(hebben) gedineerd

Exemples d’usage

En ik heb gedineerd als een koning!
We hadden tegen zonsondergang gedineerd op het brede dak van de oude toren, want daar was het tijdens de zomerhitte koeler.

Traductions

anglaissup
espagnolcenar
espérantovespermanĝi
féringienfáa sær nátturða
françaissouper
portugaisjantar